Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG5602

Datum uitspraak2008-11-04
Datum gepubliceerd2008-11-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers07.607290-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

ontucht bewijs strafmaatmotivering


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer Parketnummer : 07.607290-07 Uitspraak : 4 november 2008 Vonnis in de zaak van: het openbaar ministerie tegen [verdachte], [geboortedatum] [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, althans verblijvende te [adres]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007, 14 februari 2008, 8 mei 2008, 24 juli 2008 en 21 oktober 2008, waarbij verdachte is verschenen, telkens bijgestaan door mr. K.A.M. Ramaekers, advocaat te Emmeloord. De officier van justitie, mr. S. Ouchan, heeft ter terechtzitting gevorderd: - de vrijspraak van verdachte ter zake het onder 2 ten laste gelegde; - de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 ten laste gelegde tot: - een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 8.500,00, te voldoen bij wijze van voorschot, met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het overige deel van de vordering niet ontvankelijk te verklaren in deze vordering; - afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging, zoals ter terechtzitting van 21 oktober 2008 gewijzigd) BEWIJS De verdachte dient van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Op 20 augustus 2007 heeft in een studio een verhoor plaatsgevonden van he[slachtoffer]htoffer], waarin [slachtoffer] verklaart dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en zijn vader. Deze handelingen zouden mede hebben bestaan uit orale penetratie en penetratie met de vingers. Teneinde de betrouwbaarheid van deze verklaring te toetsen heeft prof. dr. R. Bullens hierover rapport uitgebracht. Hij komt tot de conclusie dat er weinig ruimte is geweest voor het ontstaan van ruis, dat het studioverhoor op redelijke wijze is afgenomen, dat er geen aanwijzingen zijn voor een motief om leugenachtig te verklaren, doch dat [slachtoffer] soms warrig verklaart en er sprake is van enkele inconsistenties in de verklaring. Verdachte heeft tijdens één van zijn verhoren bij de politie verklaard dat er een tweetal momenten zijn geweest in mei en juni 2007 waarop sprake is geweest van seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer] en dat [slachtoffer] daarbij (onder meer) de penis van verdachte in zijn mond heeft genomen. Deze verklaring, afgelegd op 28 augustus 2007, is vrij gedetailleerd en door verdachte ondertekend. Ter terechtzitting van 21 oktober 2008 heeft verdachte van laatstgenoemde verklaring afstand genomen en verklaard dat slechts eenmaal oraal contact heeft plaatsgevonden, doch geheel buiten schuld van verdachte. De rechtbank houdt verdachte echter aan zijn verklaring afgelegd bij de politie en acht derhalve, mede gelet op hetgeen [slachtoffer] in studio heeft verklaard, wettig en overtuigend bewezen dat meerdere malen in de periode zoals ten laste is gelegd over en weer orale seks heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] (3e en 4e gedachtenstreepje van de tenlastelegging). Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: (volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding) Van het onder 1 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. STRAFBAARHEID Het bewezene levert op: Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht; en Ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezen verklaarde en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL De rechtbank overweegt dat ter zake van de onder 1 cumulatief ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en dat zij – gelet op het bepaalde in voornoemd artikel – bij de bepaling van de strafmaat zal uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Wel acht de rechtbank termen aanwezig een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, nu zij verdachte van een gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde zal vrijspreken. Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met: - een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 september 2008; - een retourzending rapportageverzoek d.d. 28 november 2007, uitgebracht door G.J.H. Beernink en A. Brouwer, respectievelijk reclasseringswerker en unitmanager van Reclassering Nederland, Regio Midden- en Oost Nederland, Unit Lelystad; - een brief d.d. 25 oktober 2007 van drs. P.M.P. Venhovens, klinisch-psycholoog/psychotherapeut en vast gerechtelijk deskundige; - een brief d.d. 22 oktober 2007 van P.W.H. Frodl, psychiater en vast gerechtelijk deskundige. Gelet op het feit dat niet valt uit te sluiten dat er in de toekomst een omgangsregeling tussen verdachte en zijn kinderen (onder wie het slachtoffer [slachtoffer]) tot stand zal worden gebracht, acht de rechtbank termen aanwezig om aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf een proeftijd te verbinden voor de duur van 5 jaar. De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 van het Wetboek van Strafrecht. Benadeelde partij [slachtoffer] Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van onder 1 aan verdachte ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 11.345,00 aan immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Benadeelde partij [slachtoffer] Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 11.345,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij [slachtoffer] dient in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. BESLISSING Het onder 2 tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het onder 1 tenlastegelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar. Het onder 1 meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht. Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 8 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] in hun vordering niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. H.M. Schaak en C.W. van Weert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2008. Mr. G.H. Meijer voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.